Schipbreukelingen #voorbijdewaanvandedag

Tijdens de kringviering op zaterdagavond in Klooster Wittem hield Eric Corsius de onderstaande overweging over ‘wonen’.

Wonen: het is iets heel vanzelfsprekends. Zoiets als de lucht die we inademen. Maar juist daarom is het zo interessant, ja: verwarrend en riskant om erover na te denken. Dan blijkt het allerminst zo vanzelfsprekend en – een opmerkelijk woord in dit verband – zo gewoon te zijn. Daarop wijst de grote Nederlandse wijsgeer Cornelis Verhoeven – de man die in staat was om een licht te doen schijnen op en in ogenschijnlijk eenvoudige en oppervlakkige zaken, een licht dat onvermoede diepten zichtbaar maakte.

Wat is wonen? Wonen is, als we Verhoeven goed begrijpen, niet zomaar een toestand. Het is geen manier van zijn. Geen gegevenheid. Wonen is iets wat we doen, wat we willen. Wonen is een werkwoord. Het is een pogen. Want aan het wonen gaat iets vooraf. Met het wonen willen we ergens een antwoord op geven, willen we een probleem oplossen – of liever: een kwellend vraagstuk.

Dat vraagstuk bestaat erin, dat niets in de werkelijkheid is wat het is. Dat niets gewoon is. Wat iets eigenlijk en ten diepste is: dat ligt niet voor de hand. Dat ligt niet voor het grijpen. Dat ligt in het oneindige verschiet. Het is een belofte. Technisch uitgedrukt: de identiteit van iets is niet te bepalen. Het is iets waarnaar we voortdurend onderweg zijn, wat we voortdurend tegoed hebben, wat we moeten opschorten. We leven met en in een voortdurend uitstel.

Dit geldt ook voor onszelf. We zijn rusteloze, mobiele wezens. Ook wij mensen vallen niet samen met onszelf . Daarom is het spreken over wat en wie we zijn, het spreken over identiteit, eigenlijkheid en authenticiteit ook zo vergeefs, aandoenlijk, pijnlijk, overmoedig, … hoogmoedig? (Maar nu ga ik misschien aan de haal met Verhoeven.)

Wonen: dat is een poging om even die voortdurende rusteloosheid een halt toe te roepen. Even maken we letterlijk en figuurlijk een pas op de plaats. Even zetten we ons voortdurend zoeken ‘on hold’. Even zijn we bij onszelf. Even zijn we onszelf. Even komen we thuis. Het gevaar is, dat we ons daarbij een illusie maken. De illusie van het samenvallen met onszelf.

En dat wordt nog gevaarlijker als we dat ‘onszelf zijn’ denken te bereiken door het vreemde en andere – die onlosmakelijke keerzijde van onszelf – uit te sluiten. Als we harmonie scheppen, door wanklanken te smoren. Juist dat andere en vreemde in en van onszelf, juist datgene waarin we niet thuis zijn: juist daardoor moeten we ons een thuis laten geven, ons laten verwelkomen, ons laten huisvesten. We wonen dankzij elkander, niet ondanks elkander.

Moeilijke, abstracte gedachten. Kort en bondig gezegd: we moeten leren leven met het uitstel van identiteit, aldus Verhoeven. Leven met de onrust. Er was nooit een paradijs van ‘bij onszelf zijn’. En het zal er nooit zijn. Wonen is wennen, zegt Verhoeven. Het is ook wennen aan het ongewone en onvanzelfsprekende ervan.

Afgelopen woensdag was ik te gast bij het kapittel van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid in Tegelen. Ze zetten een belangrijke stap in hun geschiedenis: het beëindigen van het zelfstandige bestaan van de Nederlandse tak van de gemeenschap. En er werd geciteerd uit het gedicht ‘Stufen’ van Hermann Hesse:

“Van plek naar plek zullen we lopen, welgezind, /Aan niemand blijven hangen als aan een vaderland; / Geen wereldgeest die ons verengen mag of bindt, / Hij zal ons tree voor tree verheffen; want, / Amper zijn we aan een levenskring gewend / En ingeburgerd, of verslapping is een feit; /Slechts wie kan weggaan en tot reizen is bereid / Ontkomt aan de verlamming die de sleur ons brengt.”

Misschien is dit gedicht van Hesse te mooi, te zalvend en te zoetig. Minder scherp en uitdagend als Verhoeven. Maar in de grond gaat het om het zelfde: “wonen overal nergens – of hooguit slechts kortstondig – thuis en steeds weer verdergaan”. Om met Verhoeven te spreken: we zijn allemaal schipbreukelingen.

Reageren is niet mogelijk